Grondwettelijk Hof bevestigt rechten lesbische co-moeder bij scheiding
Het Grondwettelijk Hof heeft vandaag in een arrest de wetgeving die de rechten van een co-moeder na een scheiding moet regelen ongrondwettelijk verklaard. Dat gebeurde na een pre-judiciële vraag van de jeugdrechtbank van Luik.
Voor de jeugdrechtbank van Luik twist een voormalig gehuwd lesbisch paar over het hoederecht over hun dochtertje. De co-moeder had een adoptie-aanvraag ingediend, maar toen ging de relatie bergaf. De biologische moeder wil de adoptie nu tegenhouden. Ze beroept zich op de wetgeving die stelt dat indien een moeder weigert toe te stemmen, de adoptie enkel kan worden uitgesproken als blijkt dat ze zich niet meer om het kind bekommert of het welzijn van het kind in het gevaar heeft gebracht. De co-moeder benadrukt dat zij van bij het begin betrokken was bij het mee-ouderschap en dat de biologische moeder hier volledig mee instemde.
Belang van kind primeert
Volgens het Grondwettelijk Hof schenden de bewuste bepalingen van het burgerlijk wetboek de grondwet. Artikel 22bis van de grondwet stelt immers dat het belang van het kind de eerste overweging is bij elke beslissing die het kind aangaat. Ook volgens het Verdrag inzake de rechten van het kind vormen de belangen van het kind de voornaamste overweging.
Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat er al verschillende wettelijke stappen zijn gezet inzake nieuwe gezinssituaties, maar dat die het voorliggend probleem nog niet hebben kunnen oplossen.