"Meerderheid staat op de rem om vertrekpremies te herzien"
Oppositiepartij Groen gaat de hervorming van de vertrekpremies en speciale vergoedingen voor Kamerleden woensdag op de agenda plaatsen van de Conferentie van Voorzitters. "We hebben ruim een jaar geleden al voorstellen ingediend, maar de meerderheid staat op de rem. Het werk ligt al maanden stil", zegt Groen-fractieleider Stefaan Van Hecke. Hij reageert daarmee op de ophef rond de vertrekpremie van CD&V-Kamerlid Stefaan De Clerck.
Afgelopen weekend zei De Clerck, die de Kamer verlaat om voorzitter te worden van Belgacom, dat hij geen afstand neemt van zijn vertrekpremie van 270.000 euro. Zonder op het individuele geval van De Clerck in te gaan riep CD&V-voorzitter Wouter Beke op om snel werk te maken van nieuwe regels rond de vertrekvergoedingen. Groen-Kamerlid Van Hecke hoopt dat CD&V en de andere meerderheidspartijen de daad bij het woord voegen.
Groen heeft zelf eerder al voorstellen ingediend bij het voorzitterschap van de Kamer. De groenen stellen voor om de vertrekvergoeding te schrappen voor wie vrijwillig vertrekt omdat hij een andere job heeft, en de minimale vertrekvergoeding te halveren van een jaar naar zes maanden. De groenen willen ook de vergoedingen voor speciale functies, zoals de quaestoren en de voorzitter, aftoppen.
"Die voorstellen zijn niet te nemen of te laten. Maar we willen wel snel knopen doorhakken", zegt Van Hecke.
CD&V vraagt discussie
"Degenen die momenteel hun opzegvergoeding opnemen doen niets verkeerds, maar ik vind dat een correcte discussie over de verloning van politici dringend nodig is." Dat zegt Felix De Clerck, zoon van Stefaan De Clerck en voorzitter van de werkgroep Nieuwe Politieke Cultuur bij Jong CD&V.
Zoon Felix De Clerck, zelf CD&V'er en actief bij de jongerenafdeling van de partij, laat zich nu uit over de hetze in een blogpost. "Ik ben de zoon van mijn vader en ik zal hem door dik en dun steunen", stelt De Clerck. "Ook nu krijgt hij mijn steun, maar dat wil daarom niet zeggen dat ik geen eigen idee mag hebben over hoe we de politiek organiseren."
"Degenen die momenteel hun opzegvergoeding opnemen, doen niets verkeerds", vervolgt de twintiger. "Het is, zoals men dat noemt, een verworven recht en dus onderdeel van de verloning van een politicus. We kunnen niet verwachten van mensen die binnen dit statuut werken, dat ze al hun rechten laten vallen."
Maar toch heeft De Clerck ook kritiek en een discussie over de verloning van politici kan volgens hem niet uitblijven. "Een aanzet zou kunnen zijn dat parlementsleden alleen recht hebben op een uittredingsvergoeding wanneer zij het parlement onvrijwillig verlaten. Wanneer zij hun assemblee vaarwel zeggen omdat ze een beter alternatief gevonden hebben, zou hun recht op het krijgen van een uittredingsvergoeding kunnen vervallen."
Een andere oplossing is volgens hem het 'on hold' zetten van de opzegvergoeding, bijvoorbeeld zolang iemand inkomsten genereert uit een politieke benoeming. "Ik zal mijn vader blijven steunen. Zeker nu. Hij neemt op waar hij recht op heeft. Maar ik zal me ook inzetten om die regels te veranderen", besluit De Clerck.
PS en cdH
De fractieleiders van PS en cdH in de Kamer willen dat het federale parlement voor het einde van de legislatuur de regels over de vertrekpremies en speciale vergoedingen voor parlementsleden aanpast.
Catherine Fonck, cdH-fractieleider, wijst erop dat het regeerakkoord een einde maakt aan vertrekvergoedingen voor leden die de Kamer verlaten om een betaald mandaat op te nemen of een professionele activiteit aan te vatten. Ze vraagt eenvoudigweg dat die bepalingen vertaald worden in de regels van de Kamer. "De vertrekpremie moet een parlementslid de kans bieden om werk te vinden of een opleiding te volgen. Het mag geen jackpot worden", zo verklaarde Fonck vandaag.
De PS laat dan weer verstaan dat fractieleider André Frédéric tijdens de volgende Conferentie van Voorzitters een bijeenkomst van het Bureau zal vragen met het oog op de aanpassing van het reglement voor het einde van de legislatuur. De PS wil geen vergoeding voor leden die een betaalde functie gaan opnemen, met uitzondering van zeer specifieke gevallen, die dan ook als dusdanig erkend worden door het Bureau.