Telefonie-analyse nefast voor beschuldigden op assisen Kitty
De telefonie-analyse in het onderzoek naar de roofmoord op agente Kitty Van Nieuwenhuyse mag dan geen keiharde bewijzen hebben opgeleverd tegen de drie beschuldigden, ze heeft wel een aantal gegevens aan het licht gebracht die bezwarend zijn. Dat blijkt uit de presentatie die de speurders van de federale gerechtelijke politie (FGP) vandaag gaven op het Brusselse assisenhof.
Zo gebruikten Nourredine Cheikni, Galip Kurum en Hassan Iasir verschillende gsm-nummers: één of twee met een abonnement, maar steeds ook één of meer met een prepaid-kaart die dus moeilijk op te sporen was. De drie ontkenden ook allemaal dat ze een bepaald gsm-nummer gebruikten of zelfs maar kenden, ook al kon de politie hen wel degelijk met dat nummer in verband brengen.
Erg opvallend is volgens de speurders eveneens het verschil in gsm-verkeer op doordeweekse dagen en op belangrijke momenten in het dossier. Zo zijn Cheikni, Kurum en Iasir in de maand november 2007 voor elkaar de mensen met wie ze het meest telefonisch contact hadden. Kurum en Cheikni belden elkaar in die periode gemiddeld een zestal keer per dag. In de nacht van de feiten in Lot, van 3 op 4 december 2007, viel dat gsm-verkeer volledig stil en was er tussen 22.00 uur 's avonds en 11.30 uur 's ochtends geen enkel contact tussen de drie. Eenzelfde patroon tekende zich af op 15 november 2007, toen in Thuin de zwarte Volvo werd gestolen.
Daarnaast beweerden Iasir en Cheikni dat ze tijdens hun verblijf in Marokko eind 2007 geen contact hadden met elkaar. "Hun persoonlijke gsm-nummers vertonen inderdaad geen onderlinge gesprekken, maar er is wel intens verkeer tussen de gsm-nummers die toebehoren aan hun vaders en aan de neef van Iasir", verklaarde een speurder.
Codetaal
Iasir zou in gesprekken met zijn broers volgens de FGP ook gebruikgemaakt hebben van codetaal. Zo werd er gesproken over een belangrijke voetbalwedstrijd, wat een verwijzing zou zijn naar het gerechtelijke onderzoek.
En vandaag werden er nog een aantal bezwarende feiten op tafel gelegd. In de zwarte Volvo die werd achtergelaten op de plaats van de roofmoordwerden een heel aantal DNA-sporen teruggevonden die afkomstig waren van de drie beschuldigden. De onderzoekers vonden ook nog andere DNA-sporen maar de meerderheid daarvan was afkomstig van de rechtmatige eigenaars van de Volvo en slechts een kleine hoeveelheid van onbekenden.
Van Galip Kurum vonden de speurders 6 sporen van zogenaamd nucleair DNA, dat uniek is voor elke persoon. Het gaat om sporen op 4 werktuigen in een sporttas op de achterbank, en twee op de veiligheidsgordels van de passagierszetels. Cheikni's nucleair DNA werd op 4 plaatsen aangetroffen, meer bepaald op 3 werktuigen in de sporttas en één op een veiligheidsgordel die in de koffer lag. Iasir liet slechts 2 DNA-sporen na, op één werktuig in de sporttas en op een kogelvrije vest in de koffer.
Daarnaast vonden de speurders nucleair DNA van de voltallige familie Rapposelli, de eigenaars van de garage waar de Volvo gestolen werd, en van één van hun werknemers, alsook van twee onbekende personen.
Mitochondriaal DNA
In dezelfde Volvo konden de speurders ook 77 mensenharen terugvinden. Van 61 van die haren kon het mitochondriaal DNA, dat verwijst naar de moederlijke afstamming, geïdentificeerd worden. Veertien van die haren waren afkomstig van de drie beschuldigden of mensen uit hun directe omgeving en een 30-tal van de familie Rapposelli of hun werknemers. Het 15-tal overblijvende haren was van onbekenden.
Opvallend is evenwel dat slechts 4 personen meer dan één haar achterlaten op de zitplaatsen van de Volvo: de drie beschuldigden en één onbekende.
Tijdens hun verschillende verhoren konden Cheikni, Kurum en Iasir nooit een afdoende uitleg geven voor de vondst van hun DNA. Ze pasten hun verklaringen daarover wel meer dan eens aan, net als over hun onderlinge contacten, hun vertrek naar het buitenland en andere aspecten van het onderzoek. (belga/sps)