Extra uren Nederlands zetten Brusselse scholen voor moeilijke puzzel
Bijna 3.800 leerlingen die vanaf september starten in het eerste jaar secundair onderwijs krijgen drie extra uren Nederlands per week. Voor Brusselse scholen kan die maatregel extra zwaar wegen. Niet alleen moeten de bijkomende lessen worden georganiseerd, ook het lerarentekort is in de hoofdstad bijzonder voelbaar. Dat zeggen de drie grote onderwijskoepels in een gesprek met Belga, in aanloop naar de start van het nieuwe schooljaar.
De extra uren zijn verplicht voor leerlingen die op het einde van de lagere school de minimumdoelen Nederlands niet halen. De secundaire school moet ze bovenop het gewone lessenpakket organiseren. Daarnaast komen er in het lager onderwijs taalheldklassen voor anderstalige nieuwkomers. Beide maatregelen maken deel uit van het taalplan van 400 miljoen euro van Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA).
Vooral in Brussel
Net in Brussel kan de maatregel voor extra druk zorgen. Het aandeel kinderen dat thuis geen Nederlands spreekt, ligt er hoog. Tegelijk kampen Brusselse scholen al langer met een tekort aan leerkrachten Nederlands.
GO!-topman Koen Pelleriaux waarschuwt dat de nieuwe maatregel dat probleem nog kan versterken. "Leerkrachten Nederlands voor de extra lessen kunnen uit Brussel en Antwerpen weggetrokken worden", zegt hij. "Dan wordt het in Brussel nog moeilijker om het waar te maken."
Volgens Pelleriaux daalt het lerarentekort wel, maar blijft het groot in de as van Antwerpen over Brussel tot Aalst en Tienen. Hij vindt de extra inspanningen voor Nederlands dan ook terecht. Het aandeel kinderen dat thuis geen Nederlands spreekt, steeg tussen 2015 en 2025 van 20 naar 30 procent in het basisonderwijs en van 15 naar 25 procent in het secundair onderwijs.
Maar de maatregelen zullen volgens hem op termijn geëvalueerd moeten worden. "Al die maatregelen zullen we op termijn moeten evalueren."
Maatwerk nodig
Ook Katholiek Onderwijs Vlaanderen benadrukt dat de organisatie niet eenvoudig wordt. Bruno Vanobbergen noemt de situatie in het basisonderwijs "veel complexer" dan de regelgeving doet vermoeden.
In het lager onderwijs moeten leerlingen voor extra Nederlands zo veel mogelijk uit de klas worden gehaald. "Het vraagt echt maatwerk", zegt Vanobbergen. Daarbij maakt het volgens hem een groot verschil of het gaat om een kind dat pas in België is aangekomen maar al schoolervaring heeft, of om een kind dat "nog nooit naar school geweest is, ook al zijn ze negen, tien of elf jaar".
Ook de drie extra uren in het secundair onderwijs vragen volgens hem een stevige organisatie. Scholen moeten niet alleen lokalen en uurroosters aanpassen, maar ook voldoende personeel vinden. Dat hoeft volgens Vanobbergen niet noodzakelijk een leerkracht te zijn: ook ondersteunend pedagogisch personeel kan worden ingezet.
Personeel gezocht
Ook OVSG maakt zich zorgen over de personeelsimpact, zeker in grootstedelijke contexten. "Mijn grote zorg voor de grootstedelijke contexten zijn de extra personeelsleden die erbij komen", zegt Walentina Cools.
Door de extra investeringen kunnen leerkrachten soms een job dichter bij huis aangeboden krijgen. Daardoor dreigt expertise uit steden zoals Brussel weg te vloeien naar scholen in de rand.
Tegelijk proberen scholen de nieuwe taalheldklassen zo flexibel mogelijk te organiseren, vaak als onderdeel van hun bestaande zorg- en taalbeleid. Sommige scholen zetten daarvoor eigen leerkrachten in, eventueel aangevuld met profielen zoals logopedisten. Maar de beperkte uren en de personeelskrapte maken het moeilijk om overal een stevige taalwerking uit te bouwen.
Voor Brussel betekent de maatregel daardoor een dubbele uitdaging: meer leerlingen hebben nood aan extra Nederlands, terwijl net daar voldoende personeel vinden al langer een probleem is.