Beter communiceren met je hond: dat doe je zo
Aangezien je hond niet dezelfde taal spreekt als wij, is het moeilijk om te weten wat hij echt begrijpt van wat je zegt. Zeker is wel dat hij zowel reageert op de toon en inonatie van je stem als op de gebaren en bewegingen die je maakt. Door die aan te passen, kan je dan ook de communicatie tussen jou en je hond verbeteren.
Vijf dingen die je moet doen
1. Zeg het maar één keer
Als je een puppy een commando geeft of terechtwijst, dan is herhalen het slechtste wat je kan doen. Het doel is om hem meteen te laten reageren, niet na de veertiende keer.
2. Verander je commando
Als de hond de eerste keer niet luistert, geef dan een ander commando. Dat is beter dan herhalen: zit, zittt, zitttt, ZIT.
3. Maak oogcontact
Net zoals ouders aan hun kinderen vragen om oogcontact te maken, is dat ook de sleutel bij het spreken tegen honden. Besteed speciale aandacht aan het patroon dat je maakt het knipperen van je ogen.
4. Gebruik je handen
Zorg ervoor dat je bij elk commando consequent het bijpassende signaal geeft. Zwaai niet met je handen in het rond, want dat zorgt voor verwarring bij je hond.
5. Maak niet te veel lichamelijk contact
Als je probeert om je hond te laten zitten, hou dan je handen boven hem. Als hij beweegt, dan zal hij je hand raken en zichzelf corrigeren of dan kan je hem zachtjes terug naar beneden duwen. Als je de hond uit je zetel probeert te krijgen, dan handel je op een soortgelijke manier: hou je hand onder hem en hef zachtjes op. Die aanmoediging heeft je hond nodig om zelf weg te springen.
Vijf dingen die je niet moet doen
1. Roepen
Als je aan de telefoon of tegen een familielid roept, dan denkt je hond dat je kwaad bent op hem. Let er dus op dat je je stem niet verheft als je hond in de buurt is, want hij zou het verkeerd kunnen begrijpen.
2. Je hond op je schoot zetten terwijl je aan tafel zit
Als je je hond op je schoot zet terwijl je aan tafel zit, dan zal hij denken dat hij eten krijgt. Uiteraard zal hij dan smeken. Wees dus consistent om enkel met je hond te spelen als je niet aan het eten bent, zodat hij niet denkt dat het diner het ideale moment is om op je schoot te springen.
3. Wilde gebaren maken
Als je wilde gebaren en aanwijzingen maakt, dan zal je hond denken dat je een signaal geeft en zich - tevergeefs - afvragen wat hij moet doen. Let er dus op dat je geen verwarrende tekens geeft.
4. Knuffelen als je weggaat
Als je in de richting van de deur gaat, dan zal je hond zich afvragen of het de bedoeling is dat hij meegaat. Probeer hem daarom te negeren, zodat hij weet dat je alleen gaat. Maak er geen drama van, want dan zal hij alleen maar onrustig worden. Hij moet leren dat het normaal is dat jij de kamer verlaat.
5. Niet berispen
Als je je hond niet meteen corrigeert, zal hij denken dat het spelletje soms mag, maar niet altijd. Daardoor zal hij blijven proberen. Zelfs als je met iets bezig bent, moet je de tijd nemen om je hond te berispen voor zijn slechte gedrag. Wees dus standvastig en consequent.