Ode aan 70 jaar zelfbouwpret: Ikea Museum opent deuren
Ikea-fans, hou je vast, want vandaag opende in Zweden een gigantisch Ikea Museum: 3.500 m2, vier verdiepingen en zeven decennia aan iconische zelfbouwmeubels. Köttbullar meegerekend!
De toon is gezet met de gigantische betonnen Klippan-zetel voor de ingang van het museum in Almhült, waar bedenker Ingvar Kamprad na 15 jaar meubels bouwen in 1958 de eerste échte Ikea-vestiging opende.
Het strakke, witte gebouw voelt dan ook net aan als een échte Ikea-winkel, met reconstructies van de kleine kamers uit de verschillende Ikea-catalogi. Al loop je in het museum wel van de ene generatie in de andere - van 1984 naar 1999, bijvoorbeeld.
Maar de zoektocht naar meubels die je sneller uit elkaar haalt dan in mekaar knutselt, bleek een heuse opgave. Net iets minder dan drie jaar duurde het om de duizenden spullen die je in de hele geschiedenis van Ikea in de woonwarenhuisketen kon kopen, op de kop te tikken. Slechts twintig procent van de meubels die de organisatie wilde tentoonstellen, stond nog in het archief van Ikea. De rest? Die moesten de Zweden, met een fotomap van alle spullen in de hand, zoeken op het internet, e-Bay, vlooienmarkten en veilingsites.
"Veel klanten weten gelukkig nog dat ze hun spullen bij Ikea kochten", vertelt Cia Eriksson, creatief directeur van het museum. "Maar vooral het textiel en de tapijten waren ontzettend moeilijk te vinden." Het moéilijkste object om weer op de kop te tikken voor het museum was volgens 'The Guardian' een glazen lamp van Tapio Wirkkala - uiteindelijk vonden ze hem op een Britse veilingsite voor zo'n 360 euro.
Alle items staan samen in 10 zalen, waar de bezoekers zich kunnen laten fotograferen om - wie weet - op de cover van de nieuwe catalogus in augustus te verschijnen. Vooral de selectie van 103 iconische meubelstukken van 1937 tot 2016 doen meer dan één belletje rinkelen: de Klippan-bank, de Billy-boekenkast, de Poang-stoel en ja, zelfs de blauwe zak waarmee je al je inkopen rondsjouwt. Toch wéét Ikea dat er af en toe ook wel eens een draak van een idee in hun showrooms terecht kwam, iets dat ze ook zonder schroom in hun museum laten zien. Zo brachten ze ooit de 'Ikea Air'-lijn op de markt. In plaats van je meubels in elkaar te vijzen met de zogenaamde 'inbussleutel', kon je ze gewoon opblazen. "Alleen had de lucht nogal moeite om in de meubels te blijven", geeft Eriksson toe. Vaker lek dan luchtdicht, dus.
Maar niet getreurd: genoeg pareltjes om mee uit te pakken, zoals het Lövet-tafeltje uit 1956. Toen Ikea-ontwerper Gilles Lundgren de poten van het tafeltje afzaagde omdat hij het niet in zijn auto kreeg, ging er een lichtje branden en leek het toch beter om alle benodigdheden in platte dozen te steken. Geboren was het zelfbouwidee. En zoals het moét, kan je ook in het restaurant van het museum een köttbullar of tien en de geschiedenis van het vleesballetje meegraaien, natuurlijk.