Na de diefstal in het Franse Renoir-museum: zijn kunstroven in opmars? “Geen enkel museum is veilig als er in opdracht wordt gestolen”
Vanochtend sloegen dieven toe in het Musée Renoir, een paar weken geleden verdween er renaissancekunst op Sicilië en eind vorig jaar sidderde Parijs na een juwelenroof in het Louvre. Het lijkt wel alsof musea vogelvrij verklaard zijn. Volgens kunstexpert Johan Swinnen is het geen toeval meer: “Ze laten topwerken puur voor hun eigen ego stelen.”
Hoeveel een museum ook investeert in beveiligingscamera’s, alarmsystemen of kogelvrij glas, absolute veiligheid bestaat niet in de kunstwereld: “Je kan de duurste apparatuur zetten, maar als men echt wil stelen, kan geen enkel museum voldoende beveiligd worden. Je moet maar één bewaker hebben die wil meewerken met de dieven en heel het systeem is in gevaar”, beweert Swinnen.
Privécollectie
Maar wat gebeurt er als dieven erin slagen om wereldberoemde kunst te stelen? Bekende doeken of museumstukken duiken niet zomaar op bij een openbaar veilinghuis, daarvoor is de documentatie te strikt. Volgens Swinnen belanden ze in criminele milieus - gebruikt als ruilmiddel - of in de handen van verzamelaars die ver gaan voor hun passie. Juwelen zijn daarentegen veel eenvoudiger verhandelbaar of om te smelten. “Echte kunstverzamelaars willen geen gestolen kunst in huis. Maar er is een corrupte groep van kunstliefhebbers die zoiets voor zichzelf wil. Zij hebben een soort pervers plezier om in hun ‘privé-privécollectie’ naar die grote werken te kunnen kijken, terwijl het publiek ze niet meer kan zien.”
Geopolitiek
Dat musea de laatste tijd opvallend vaak het doelwit zijn, heeft volgens Swinnen te maken met de huidige geopolitieke situatie en snelle verschuivingen van kapitaal. “Door oorlogshandel worden sommige mensen heel snel enorm rijk. Zij krijgen dan de fantasie om iets aan te schaffen dat niemand anders bezit. Helemaal alleen kunnen ze dan kijken naar de nieuwe Renoir die ze net hebben laten stelen. Dit is stelen in opdracht”, aldus Swinnen.