Loonkloof België tegenover buurlanden bijna 13 procent
De loonkloof die België sinds 1996 opbouwde tegenover de buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland, bedraagt bijna 13 procent. Dat is als je rekening houdt met de uurloonkosten én de arbeidsproductiviteit, zo staat in het jaarverslag van de Nationale Bank van België (NBB).
Opvallend is dat de kloof volledig toe te schrijven is aan de vergelijking met Duitsland, waarmee er een kloof gaapt van bijna 25 procent. "Tegenover Frankrijk en Nederland slaagden de Belgische ondernemingen er in tussen 1996 en 2012 een licht concurrentievoordeel, van respectievelijk 0,4 en 2,7 procent, op te bouwen, maar de voorbije drie jaar is dat voordeel kleiner geworden", aldus de Nationale Bank.
Als alleen naar de uurloonkosten wordt gekeken, bedraagt de sinds 1996 opgebouwde kloof met de drie voornaamste handelspartners 5,1 procent. Dat heeft niet zozeer te maken met het nettoloon, maar vooral met de belastingen en sociale bijdragen.
Nodig alternatief
"De hoge loonkosten zijn voor een belangrijk deel te wijten aan de fiscale en parafiscale druk, dus moeten er alternatieven worden bekeken", stelt NBB-gouverneur Luc Coene. Hij pleit voor een verlaging van de heffingen op inkomens uit arbeid. Ter compensatie "kunnen eventueel andere belastingbronnen worden aangeboord".
De loonkloof is ook onder meer een gevolg van het Belgische indexeringsmechanisme. De stijging van de brutolonen in België in 2011 en 2012, is zo goed als integraal toe te schrijven het indexeringseffect, dat voor beide jaren samen 5,5 procent bedroeg, zo luidt het. De reële loonstijging bedroeg amper 0,2 procent. "Desondanks is de sinds 1996 opgebouwde uurloonkostenkloof ten opzichte van het gemiddelde van de drie voornaamste buurlanden tijdens de periode 2011-2012 niet vernauwd", zo staat in het jaarverslag. Daarin wordt opgeroepen tot een "doortastende hervorming" van het indexeringsmechanisme.