Vandeurzen: "Ik deed mijn job"
In de Fortis-onderzoekscommissie heeft voormalig minister van Justitie Jo Vandeurzen vandaag zijn optreden in de Fortis-zaak verdedigd. Hij zei dat hij enkel contact heeft opgenomen met het openbaar ministerie uit bezorgdheid over de correcte rechtsbedeling en dat de minister van Justitie zijn job moet kunnen doen, ook als de Belgische staat betrokken partij is.
Na de verschillende magistraten en kabinetslui de vorige week, is het deze week de beurt aan de ministers uit het toenmalige kabinet Leterme om te komen getuigen over de contacten tussen de uitvoerende en rechterlijke macht bij de gerechtelijke afhandeling van het Fortis-dossier. Vandeurzen, die samen met premier Yves Leterme in die zaak ontslag nam, mocht vandaag de spits afbijten.
Onregelmatigheden
Hij deed in een inleidende verklaring uit de doeken hoe hij op vrijdag 12 december, de dag waarop de achttiende kamer van het hof van beroep zijn arrest velde, kort na de middag telefoon kreeg van de kabinetschef van Leterme, Hans Dhondt, die gewag maakte van grote onregelmatigheden bij het hof van beroep. Vandeurzen had begrepen dat de informatie vanuit het kabinet van vicepremier Didier Reynders (MR) of van de advocaten van de FPIM kwam.
Vandeurzen zei dat hij bij het horen van de informatie als jurist de wenkbrauwen fronste. Hij concludeerde dat er iets aan de hand was dat niet normaal was, wat hem "zeer ongerust stemde". Over de inhoud van het beraad zei Vandeurzen niets te hebben vernomen. Hij liet daarop contact opnemen met het openbaar ministerie, in casu de procureur-generaal bij het hof van beroep, Marc de le Court.
Vandeurzen herinnerde er in de commissie aan dat het de wettelijke taak is van het openbaar ministerie te waken over de regelmatigheid van de dienst.
Waken over taak
De ex-minister ging ook in tegen het standpunt van de eerste voorzitter van het hof van Cassatie, Ghislain Londers. Die had in zijn brief aan toenmalig Kamervoorzitter Herman Van Rompuy geschreven dat het hoogst uitzonderlijk is dat een minister van Justitie een beroep doet op artikel 140 van het Gerechtelijk Wetboek in een hangende zaak om de procureur-generaal opdracht te geven een onderzoek in te stellen naar de regelmatigheid van de dienst.
Vandeurzen noemde die stelling "verwonderlijk". "Ik denk dat het regelmatig gebeurt dat een minister van Justitie, geconfronteerd met mediaberichten of vragen in de commissie, zich informeert bij het openbaar ministerie, uiteraard altijd met respect voor de onafhankelijkheid en het geheim van het onderzoek", luidde het.
Hij beklemtoonde ook dat hij het openbaar ministerie enkel heeft gevraagd zich te bekommeren om zijn taak "and that's it". Later voegde hij daar nog aan toe dat hij nooit aan de le Court heeft laten zeggen dat hij met de klachtmail van rechter Christine Schurmans - "geen akkefietje", dixit Vandeurzen - naar de eerste voorzitter van het hof van beroep, Guy Delvoie, moest stappen.
Wet wijzigen
Vandeurzen stelde dat hij zijn job heeft gedaan. Hij had verontrustende informatie gekregen en die ter beschikking gesteld van diegene die moet waken over de goede werking van de zitting. "Ik vind dat de minister van Justitie correct moet handelen, ook indien de Belgische staat betrokken is", aldus Vandeurzen, die eraan toevoegde dat zijn kabinet dezelfde houding zou hebben aangenomen, mocht Modrikamen hebben gebeld.
Hij legde daarop de commissie een vraag voor. Indien ze vindt dat de minister zijn job niet kan doen omdat de Belgische staat betrokken partij is, dan stelde hij voor dat ze de wet wijzigt. "Ik ben het daar niet mee eens", aldus nog Vandeurzen. (belga/ka)