30.000 bedoeïnen in Israël moeten toch niet verhuizen
De Israëlische regering trekt een controversieel plan om 30.000 tot 40.000 bedoeïnen uit de Negev-woestijn te doen verhuizen opnieuw in. Dat kondigde voormalig minister Benny Begin aan, een van de auteurs van het "Begin-Prawer"-plan.
Begin vertelde tijdens een persconferentie in Tel Aviv dat hij premier Benjamin Netanyahu had aangeraden "een einde te maken aan het debat over de wet".
"De premier heeft dit voorstel aanvaard", zei hij, nadat er verdeeldheid was ontstaan binnen de rechtse meerderheid over de tekst. Die werd in januari door de regering goedgekeurd en in eerste lezing door het parlement in juni. Om wet te worden, waren er nog twee lezingen nodig.
De kwestie rond de bedoeïnen flakkerde op tijdens gewelddadige manifestaties op 30 november in Israël en in de Palestijnse gebieden, die tegen het plan zijn.
Volgens het wetsvoorstel zouden ongeveer veertig bedoeïnendorpen vernield worden, waardoor 30.000 tot 40.000 bedoeïnen in ruil voor schadevergoeding zouden moeten verhuizen. Meer dan 70.000 hectare land zou in beslag worden genomen.
Armoede
Er leven ongeveer 260.000 bedoeïnen in Israël, vooral in de Negev-woestijn. Bijna de helft van hen leeft in dorpen die niet erkend zijn door de staat, vaak in grote armoede en zonder enige moderne infrastructuur.
De Arabische-Israëlische gemeenschap, die afstamt van de 160.000 Palestijnen die na de oprichting van Israël in 1948 in hun land zijn gebleven, telt vandaag meer dan 1,4 miljoen mensen, of twintig procent van de totale bevolking. De gemeenschap wordt gediscrimineerd, vooral inzake werk en huisvesting.