Meer dan vierhonderd doden door luchtaanvallen Aleppo
De luchtaanvallen op de Noord-Syrische stad Aleppo hebben de afgelopen elf dagen aan meer dan vierhonderd mensen het leven gekost. Dat hebben activisten van het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten gisteren gezegd. Meer dan een kwart van de slachtoffers waren kinderen.
Het dodental is een van de hoogste in de Syrische burgeroorlog en waarschijnlijk het gevolg van het lukraak bombarderen van woonwijken door het Syrische leger. Het gaat daarbij om de inzet van zogeheten "vatenbommen", olievaten die gevuld zijn met de springstof TNT. Het is goedkoop materiaal en veroorzaakt enorme schade.
"Je ziet een helikopter hoog in de lucht en weet dat er elk moment explosieve vaten gedropt kunnen worden", vertelde Abdurrahman Safeerah, een 25-jarige leraar Engels uit Aleppo eerder aan de Nederlandse Volkskrant. "Het is heel beangstigend, want je kunt nergens heen om te schuilen. Je weet van tevoren niet waar de bommen gaan landen en bovendien heb je niets aan een dak boven je hoofd. Zo'n vatenbom kan in één keer een heel gebouw wegvagen."
Vredesconferentie
Aleppo is de grootste stad van Syrië. Opstandelingen hebben delen van de stad al maanden in handen, maar het regime van president Bashar al-Assad heeft het offensief sinds 15 december opgevoerd.
Mogelijk wil Assad zijn positie versterken en de zwakke plekken van de oppositie blootleggen voordat de partijen in januari om de tafel gaan zitten tijdens de vredesconferentie in Genève. De Syrische Nationale Coalitie, een van de belangrijkste oppositiegroepen, heeft echter aangegeven pas naar Zwitserland te gaan als de luchtaanvallen ophouden.