VN heeft bewijs van nog vier aanvallen met gifgas in Syrië
In Syrië zijn zeer waarschijnlijk in nog vier gevallen chemische wapens gebruikt. Dat staat in het eindrapport van de VN-onderzoekscommissie dat gisteren is overhandigd aan secretaris-generaal Ban Ki-moon. Voor één gebeurtenis, in augustus, was al vastgesteld dat chemische wapens zijn ingezet: die aanval was de aanleiding voor de internationale gemeenschap Syrië te dwingen tot ontmanteling.
In het rapport staat dat er "bewijs is gevonden van waarschijnlijk gebruik van chemische wapens in Syrië". De commissie heeft zeven gevallen onderzocht; bij vijf heeft ze een sterk vermoeden dat chemisch geweld is gebruikt.
De commissie laat zich niet uit over wie de wapens heeft ingezet. Slachtoffers zijn gevonden onder burgers en oppositiestrijders maar ook onder soldaten.
Aan de VN-missie onder leiding van Åke Sellström deden ook experts van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) in Den Haag mee. Die organisatie won dit jaar de Nobelprijs voor de Vrede.
Ban informeert vandaag de Algemene Vergadering van de VN over het rapport.
Bij de gifgasaanval op 21 augustus bij Damascus kwamen ongeveer 1.400 mensen om het leven. Direct daarop dreigde de VS met militair ingrijpen, omdat een grens was overschreden. President Obama kwam daar een paar dagen later op terug. De VS en Rusland kozen toen samen voor een diplomatieke oplossing. Onder leiding van de ministers van Buitenlandse Zaken Kerry en Lavrov is toen een plan opgesteld voor de vernietiging van het Syrische arsenaal. Syrië heeft daarmee ingestemd. Het plan is inmiddels in werking getreden.