VS voeren zware luchtaanvallen uit in Syrië en Irak
De Verenigde Staten hebben gisteren en vandaag nog eens 15 luchtaanvallen uitgevoerd in Syrië en 10 in Irak tegen de jihadisten van de Islamitische Staat in Syrië. Dat meldt Centcom, het commando van de Verenigde Staten voor het Midden-Oosten en Centraal-Azië.
Minstens zes zware aanvalsgolven werden uitgevoerd in de buurt van Kobane, een Koerdische enclave aan de Turks-Syrische grens dat door IS wordt gecontroleerd, en "vernietigden twee gevechtsposities", aldus het Amerikaanse leger. "Honderden IS-strijders" kwamen volgens het Pentagon om bij de aanvallen. Volgens het persbureau Reuters vielen de Amerikaanse bommen tot aan de Turkse grens.
Een andere aanval "beschadigde een militair kamp van IS" in de provincie Raqqa.
Andere aanvallen, onder meer gericht op Deir Ezzor, waren bedoeld om "de financiële bronnen van IS te ontregelen door zijn structuren van productie, transport, opslag en olietransport te vernietigen en te beschadigen", aldus Centcom. IS zou volgens experts één tot drie miljoen dollar per dag ophalen door oliesmokkel.
In Irak werden gevechtsposities geraakt in de buurt van Baïji, op 200 kilometer van hoofdstad Bagdad, waar de belangrijkste olieraffinaderij van het land ligt. Ook werden doelwitten geraakt in de buurt van Mosoel, waar de grootste stuwdam van Irak ligt.
Het Syrisch Observatorium voor de Mensenrechten laat zaterdag nog weten dat bij luchtaanvallen van de internationale anti-IS-coalitie onder leiding van de Verenigde Staten de afgelopen dagen in Syrië zeker vijf burgers om het leven kwamen, onder wie één minderjarige.