Nieuwe Nintendo-console schittert alleen dankzij zijn spectaculaire scherm
Voor gamers zonder Nintendo Switch is het nieuwe OLED-model – ondanks de flinke meerprijs – een no-brainer. Maar voor zij die er al een in huis hadden ligt het wat gecompliceerder. Een review na een dikke week met het ding onder de arm.
Ik heb hem vooral overal mee naartoe genomen, de Nintendo Switch. Op een lange treinrit naar Amsterdam en terug. Mee van m’n kantoor naar m’n woonst, en ook weer terug. Zelden heb ik de Nintendo OLED in de – anders best blitse – meegeleverde dock geparkeerd om Metroid Dread, de launchgame die samen met de console uitkwam, op de tv te spelen. De grootste eyecatcher op de Switch OLED, en eigenlijk de enige bestaansreden van het ding, is namelijk het Organic Light Emitting Diode-scherm, dat – onder meer door de schermbelichting rechtstreeks in de beeldplaat te hebben – veel scherpere kleuren en diepere zwartwaarden laat zien.
Je games komen mooier uit de verf. Veel mooier dan bij de inmiddels bijna vijf jaar oude voorganger, hoewel de resolutie dezelfde blijft (720p). En voor een stuk dankzij de grotere omvang ervan (het ging van 6,2 inch naar 7 inch of 17,8 cm), maar vooral dus door het feit dat Nintendo – zoals het altijd doet – mature technologie die OLED tegenwoordig al wel is kostenefficiënt inbouwt om een technisch achterop hinkend videogamesysteem bij het peloton te houden.
Geen ‘ware’ redenen
Van de nieuwe Switch OLED werd, voordat hij officieel werd voorgesteld, verwacht dat hij eindelijk hogedefinitiebeeld zou kunnen laten zien op het eigen schermpje, of zelfs 4K wanneer hij op de tv hangt. Maar dit is geen nieuwe console. Toch niet in dezelfde zin als je destijds de DSi of de 3DS/2DS ‘nieuw’ kon noemen: het is gewoon een (licht) verbeterde versie van een apparaat dat verder gewoon hetzelfde is als het vorige, alleen meer dan 65 euro prijziger.
Die flinke meerprijs is de belangrijkste reden waarom je even moet uitkijken met de Switch OLED. Heb je al een Switch? Dan is het niet noodzakelijk een goed idee om te upgraden naar de opvolger. Qua rekenkracht en performantie is het krak hetzelfde toestel, behalve dan dat je 64 gigabyte aan opslaggeheugen hebt in plaats van de 32 GB in de originele Switch. Dat is een felle opsteker, zeker in tijden waarin we minder en minder onze games in het retailkanaal kopen en de te downloaden titels – ook op een toegankelijk platform als de Switch – ook zienderogen groter worden. Maar een absolute reden om te upgraden is het natuurlijk niet. Net zomin als de verstelbaardere voet, of de verbeterde audio: het merendeel van de Switch-gebruikers, zo leren we uit verscheidene onderzoeken, neemt het toestel het liefst mee op schok, en dan ga je toch vooral een stel Bluetooth-oortjes gebruiken om er je omstanders/medereizigers niet mee te storen.
Geen meerwaarde op tv
Behoor je tot die minderheid van de Switch-klandizie, zij die het toestel het liefst op een tv aansluiten via de meegeleverde dock? Dan levert de aanschaf van de OLED-versie simpelweg geen meerwaarde. Of je moet er zo op gebrand zijn om je toestel op je thuisnetwerk aan te sluiten via een ethernetkabel in plaats van via wifi, want dat is de enige vernieuwing. Dat, en het feit dat je nu maar twee kabels in plaats van drie – de stroomaansluiting en de HDMI-beeldconnectie – binnenin het toestel moet prangen. Maar dat brengt dan weer met zich mee dat de twee USB-poorten op een rare plaats in het toestel zitten: aan de overkant, en dus in de tegenovergestelde richting, van de twee andere.
Ik eindig door te benadrukken dat het ingebouwde scherm écht wel groter en mooier is. Met ‘mooier’ doe ik het eigenlijk zelfs te kort: het is spectaculair mooier, en laat alle games – van recent via oud naar zelfs stokoude NES- en Super NES-games via het Switch Online-abonnement – een pak beter tot hun recht komen. Wat mij betreft is dat verschil ook de prijskloof van 65 euro (de nieuwe Switch kost 365 euro, de oude 299 euro) waard. Maar dan moet je wel in hoofdzaak dàt scherm gebruiken, en niet je tv.