"Beeld van dat meisje kleefde aan mijn ribben"
"Steek je zakken vol energy bars en water, zwijg erover tegen iedereen, rantsoeneer zorgvuldig maar vooral: geef nooit je eten weg, want ze zien het en komen met tientallen rond je staan. Een mens die honger en dorst heeft kan vreemd uit de hoek komen." Ik had een vriend-hulpverlener gebeld toen ik afgelopen zondag halsoverkop naar Tacloban vertrok. Dit was wat hij zei. Goeie raad, denk je dan. En dus stopte ik onderweg naar Melsbroek nog aan een tankstation om een voorraad in te slaan. Elk hoekje in mijn rugzak werd opgevuld met net die dingen die ze daar in Tacloban en daarrond missen. Vandaag nog altijd. En zo vertrok ik.
Het duurde drie dagen en evenveel vluchten vooraleer Joost, mijn fotograaf, en ik Tacloban bereikten. En nagenoeg metéén met de honger van de mensen geconfronteerd werden. De meesten onder de slachtoffers hadden op dat moment al meer dan vijf dagen niet meer gegeten, niet meer gedronken. En daar sta je dan, met in je rugzak kleine flesjes water en repen. Genoeg om dat kind met die hongerige blik eventjes te sussen. Te weinig om alle broertjes, zusjes en mama en papa ook nog iets te geven. Ik heb op mijn tanden moeten bijten. Wel honderd keer, de voorbije dagen. Ik begreep mijn vriend-hulpverlener wel, maar dit greep me aan. Meer dan de lichamen die ik overal op straat zag liggen, had ik moeite om mijn rugzak dicht te houden. Omdat ik niet wist wanneer ik zou terugkeren en hoe ik zou terugkeren. Vreselijk vond ik dat.
's Avonds in het basiskamp van het Belgische B-Fast toverde iemand ineens warme maaltijden uit haar hoed. Fantastisch, voedzaam en vriendelijk ook. Maar ik bedankte beleefd. Ik kon dat niet. Ik ben die dag gaan slapen met een lege maag. Net als iedereen daar in Tacloban.
Op zich is dat niet eens zo moeilijk. Want ik wist dat aan mijn situatie een einde zou komen. Ik reis naar een rampplek, dring door tot het hart ervan, schrijf er een verhaal over en heb -in het slechtste geval- niet gegeten die dag. Dat haal ik 's anderendaags dan wel in, dat wéét ik.
Maar al die mensen daar in Tacloban, die kunnen niks inhalen. Niet vandaag, niet morgen. Want er is nog niks.
Vandaag is het een week geleden dat tyfoon Haiyan over de Filipijnen raasde. Vandaag is het voor vele tienduizenden mensen een week geleden dat ze nog eens iets gegeten hebben, of gedronken. De humanitaire hulp komt wel op gang, maar toch veel te langzaam. Op de zwaar verwoeste luchthaven van Tacloban zaten gisteren getroffen gezinnen met dezelfde hongerige blik als elders op het eiland. Met dat verschil dat ze àchter een hekken zaten en wij aan de andere kant liepen. Waar we eerder nog gevaar zouden kunnen lopen om aangevallen en beroofd te worden, zaten we nu veilig. Aan de juiste kant van het hekken. De kant met het voedsel, de kant met de noodhulp die nog altijd niet tot bij de mensen komt. De kant met een vlucht naar huis. De bevoorrechte kant, want de meesten hébben die vlucht niet. Wij wel. Want we kunnen misschien mensen wereldwijd tonen dat er hulp nodig is.
Aan de andere kant van het hekken, de minder bevoorrechte kant, zag ik ineens een meisje zitten, een jaar of drie of vier. Een t-shirt over haar hoofd tegen de warmte, sabbelend op een koekje dat ze had kunnen bemachtigen. Ze koesterde het bijna. Ik ben blijven kijken. Het beeld van dat meisje kleefde aan mijn ribben.
Ik weet dat ik niks kan doen. Ik weet dat mijn energy bars en mijn water het verschil niet maken. Maar ondanks de raad van mijn vriend-hulpverlener heb ik uiteindelijk mijn rugzak opengetrokken toen ik weer zo'n hongerig kind zag. En mijn maat had gelijk! Geen twee seconden later stond er wel tien man rond me. Allemaal even hongerig. Maar mijn maat was ook fout. Nooit was ik in gevaar. Ik heb alles uitgedeeld, tot de laatste reep en het laatste flesje water. En niemand die me aanviel toen het op was. Niemand die mijn geld wilde. Of mijn ticket naar huis. Integendeel.
Ik stort nooit. Ik denk niet dat ik al ooit gestort heb voor iets. Niet voor Haïti, niet voor de tsunami. Gisteren schreef iemand op mijn facebookaccount 'je zal wel veranderd zijn als je terugkomt'. Misschien wel. Ik ga storten.
Kurt Wertelaers