Baetes schreeuwt uit: "Deze zaak is één grote leugen"
Urie Baetes (37) uit Mechelen heeft tijdens zijn verhoor voor het Antwerpse assisenhof zijn onschuld uitgeschreeuwd, soms zelfs letterlijk. De man, die een echte spraakwaterval is, herhaalde uitentreuren dat hij niets te maken heeft met de roofmoord op Mia Schoovaerts (74) uit Mechelen. "Moord is het grootste taboe dat je als jood kunt plegen. Je vernietigt geen mensenleven", verklaarde hij.
Baetes had het slachtoffer als kind leren kennen via zijn moeder. "Ze was als een oma voor mij", zei hij met trillende stem. "Ik kon altijd bij haar terecht. Ze ging zelfs speciaal wiskundelessen volgen om mij te kunnen helpen. Zo iemand was Mia: een geweldige, fantastische vrouw." Hij sprak haar naar eigen zeggen dagelijks, waardoor de assisenvoorzitter het zo vreemd vond dat maar weinig mensen van hun innige band op de hoogte waren. "Die zijn er wel", betwistte hij, "maar die zijn uiteraard niet gevraagd om te komen getuigen."
Volgens de beschuldigde is iedereen tegen hem: de speurders hadden hem mishandeld en zijn geloof beledigd, de onderzoeksrechter had enkel een onderzoek à charge gevoerd, de deskundigen waren onbekwaam en de getuigen logen.
"Deze zaak is één grote leugen. Mijn leven is gestopt op 30 januari 2007, toen Mia uit mijn leven werd gerukt. Ik wil weten wat er daar gebeurd is en mijn grootste angst is dat ik het na dit proces nog niet ga weten. Maar ik heb het niet gedaan, mijnheer!"
"Ik mag ter plekke doodvallen"
De assisenvoorzitter moest hem geregeld weer tot de orde van de dag roepen, want anders bleef Baetes verder fulmineren. De beschuldigde voelt zich naar eigen zeggen wel moreel verantwoordelijk, omdat hij voor haar naar de apotheker was toen ze overvallen werd. "Ik had er kunnen zijn, maar ik heb gefaald."
Toen hij terug van de apotheker kwam, zag hij bloed in de trappenhal. Een bewoner van het appartement vertelde hem dat iemand van de trap was gevallen. "Ik had intussen de bril van Mia gevonden, maar ik wilde het niet geloven. Toen ze me in het ziekenhuis koudweg vertelden dat ze dood was, kon ik geen woord meer uitbrengen."
Hij vertelde nogmaals dat hij niets met haar dood of met de verdwijning van haar geld te maken had. "Als ik haar geld wilde hebben, had ik het gewoon kunnen nemen. Ze had altijd 50.000 euro in huis en vertrouwde me volledig. Waarom zou ik een terminaal zieke vrouw doden? Ze was als een oma voor mij. Iemand die je kunt vastpakken. Hoe vaak heb ik vroeger niet op haar schoot gezeten? Ik heb een jaar in de cel gezeten voor iets dat ik niet gedaan heb. Ik mag ter plekke dood vallen!"