30.000 euro boete voor ernstige dierenverwaarlozing
Een koppel Pepingse veehouders is door de Brusselse correctionele rechtbank veroordeeld tot geldboetes van 30.000 euro omdat op hun boerderij herhaaldelijk ernstige inbreuken op het dierenwelzijn waren vastgesteld. Het koppel was in 2012 al eens veroordeeld voor gelijkaardige feiten en had toen ook een beroepsverbod opgelegd gekregen maar dat verhinderde hen niet om verder te boeren. Ook ditmaal legde de rechter hen het verbod op ooit nog dieren te houden voor landbouwdoeleinden.
Het probleem met het veehouderskoppel sleept al jaren aan. De eerste vaststellingen van dierenverwaarlozing dateren al van 2005 en gaven aanleiding tot de veroordeling door het hof van beroep. Tussen 2006 en 2013 voerden het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid en de Inspectie Dierenwelzijn verschillende controles uit op het bedrijf en moest er tot viermaal toe worden overgegaan tot inbeslagname van de hele veestapel.
De omstandigheden op het bedrijf waren dan ook meer dan erbarmelijk. Veevoeder werd in open lucht opgeslagen, of in stallen waar kippen, katten en knaagdieren er vrije toegang tot hadden. Dieren die door verwaarlozing stierven, werden niet of pas na weken verwijderd, waardoor het herhaaldelijk gebeurde dat de kadavers door soortgenoten werden opgegeten. Runderen stonden vaak in hun eigen mest in onverzorgde stallen, kregen onvoldoende eten en drinkwater en de melkmachines werden niet schoongemaakt. Het veehouderskoppel nam het ook allesbehalve nauw met hun administratieve verplichtingen en probeerde uiteindelijk de veestapel op naam van de moeder van de man te zetten om het beroepsverbod dat het hof van beroep had opgelegd, te omzeilen.
Volgens de rechtbank beschikte het koppel eenvoudigweg niet over de nodige vakkennis om dieren te houden en weigerden ze te leren uit eerdere fouten. Het koppel kan nog in beroep gaan tegen het vonnis.