Ggo-aardappelen minder vatbaar voor aardappelziekte
Genetisch gewijzigde aardappelen met één of meer natuurlijke resistentiegenen zijn minder vatbaar voor aardappelziekte. Dat bevestigt een tweejarige onderzoek van de Gentse Universiteit, het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO), het Vlaams Instituut Biotechnologie (VIB) en de HoGent, in samenwerking met de Wageningen Universiteit.
ILVO plantte in 2011 en 2012 vier keer 26 lijnen genetisch gewijzigde aardappelrassen, samen met ziekte- en minder ziektegevoelige rassen. Het onderzoek kaderde in de ontwikkeling van een aardappellijn bestand tegen phytophthora (aardappelziekte) én om na te gaan of de co-existentieregels volstaan.
Minder fungiciden
Na observaties, vergelijkingen en laboratoriumanalyses komt het onderzoeksconsortium nu tot de conclusie dat alle planten met één of meer natuurlijke resistentiegenen minder vatbaar zijn voor de ziekte dan de niet-resistente referentierassen. De planten die meerdere resistentiegenen droegen, vertoonden de laagste vatbaarheid voor aardappelziekte. "We moeten dus verschillende rassen met verschillende genen in tijd en plaats combineren, om op langere termijn tot een duurzame resistente teelt te komen", aldus René Custers (VIB). Een rechtstreeks gevolg is dat landbouwers tot 80 procent minder fungiciden moeten gebruiken.
Tweede luik
In een tweede luik van het onderzoek kwamen de partners tot de vaststelling dat de door de overheid vastgelegde procedures voor de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen haalbaar zijn voor landbouwer en loonwerker. Ook de co-existentiedoelen, het naast elkaar blijven bestaan van conventionele en ggo-landbouw, kunnen gerealiseerd worden. Daarnaast werd ook vastgesteld dat er geen bijkomende maatregelen nodig zijn om de honingproductie te beschermen.