Hoe homoseksualiteit de evolutietheorie te slim af is
Al meer dan twintig jaar is de biologische oorzaak van homoseksualiteit een geliefkoosd onderwerp voor wetenschappelijk onderzoek. Vorige week nog bleek uit een Amerikaanse studie dat genen een grotere invloed hebben dan eerder gedacht. Maar de theorie botst op een Darwiniaanse puzzel: hoe past homoseksualiteit in de evolutietheorie, terwijl de dragers van deze genen zich veel minder voortplanten dan hetero's?
Al sinds de vroege jaren '90 is bekend dat een genetische factor mee bepalend is voor de seksuele geaardheid. Homoseksualiteit komt meer voor bij broers en verwanten van moederszijde. Ook is al aangetoond dat er fysieke verschillen zijn waar te nemen in de hersenen van volwassen homo's en hetero's.
Maar hoe valt die wetenschap te rijmen met de evolutietheorie? Wetenschappers hebben geen pasklaar antwoord op het raadsel, maar er zijn meerdere theorieën. De BBC zet ze op een rijtje.
1. "Homo-genen hebben ook andere effecten"
Volgens deze theorie kunnen de genen die de ene persoon voorprogrammeren voor een homoseksuele oriëntatie, op iemand anders een tegengesteld effect hebben.
"Het is geweten dat vrouwen vaak aangetrokken zijn tot mannen met meer vrouwelijke gedrags- of gezichtskenmerken", zegt Qasi Rahman, co-auteur van 'Born gay; the psychobiology of sex orientation' aan de BBC. "Een kleine dosis van deze genen kan de kansen op een huwelijk en kinderen voor de drager dus vergroten." Deze dragers geven het gen door aan hun kinderen en nu en dan krijgt een familielid er een grotere dosis van. Globaal gezien wordt het gebrek aan reproductie bij die familieleden gecompenseerd door het reproductieve voordeel bij de andere gendragers.
Een andere mogelijkheid is dat een bepaalde groep genen een tegengesteld effect heeft bij het andere geslacht. Andrea Camperio-Ciani van de universiteit van Padova in Italië stelde tijdens een onderzoek bij Italianen vast dat vrouwen die langs moederszijde verwant zijn aan homo's meer kinderen hebben. Dat impliceert dat een genengroep kan leiden tot homoseksualiteit bij mannen, terwijl ze de vrouwen in een familie aan meer kinderen helpt.
2. "Homo's zijn hulpjes in het nest"
Een tweede theorie is die van Paul Vasey van de universiteit van Lethbridge in Canada. Zijn hypothese, die hij 'het hulpje in het nest' noemt, is dat homoseksuelen hun gebrek aan kinderen compenseren door de voortplanting bij hun broers en zussen te bevorderen, bijvoorbeeld door hen financieel te steunen of te babysitten.
Gezien men gemiddeld maar 25 procent van zijn genetische code deelt met neefjes en nichtjes, wijzen sceptici erop dat homoseksuelen elk kind dat ze niet hebben, zouden moeten compenseren met twee nichtjes of neefjes die anders niet bestaan zouden hebben. In welke mate een homoseksuele oriëntatie het aantal kinderen in de familie beïnvloedt, heeft Vasey nog niet onderzocht.
Eerder toonde zijn onderzoekslabo aan dat homo-mannen in Japan niet meer attent of vrijgevig waren naar hun neefjes en nichtjes. Ook in het Verenigd Koninkrijk, de VS en Canada werd bij onderzoek eenzelfde resultaat bereikt. Maar in Samoa was de situatie anders. Vasey bestudeerde daar de fa'afafine, een derde geslacht van mannen die zich als vrouw kleden, seks hebben met mannen en zichzelf beschouwen als hetero. Deze 'mannen' spendeerden meer tijd aan 'oom-achtige' activiteiten dan hetero-mannen.
3. Ook homo's hebben kinderen
In de Verenigde Staten heeft ongeveer 37 procent van de homo-, bi- en transseksuelen een kind, waarvan zestig procent biologisch. Deze cijfers zijn niet hoog genoeg om de genetische eigenschappen in stand te houden. Maar evolutiebioloog Jeremy Yoder wijst erop dat homoseksuelen hun geaardheid tijdens een groot deel van de moderne geschiedenis onderdrukt hebben. Door de maatschappij gedwongen om te trouwen en kinderen te krijgen, hebben ze zich in het verleden mogelijk meer voortgeplant dan ze nu doen.
4. Het zit niet allemaal in het DNA
Volgens Qazi Rahman verklaren de genen maar een deel van de menselijke seksualiteit. Bij één op zeven homoseksuele mannen speelt volgens hem het 'big brother'-effect. Jongens met oudere broers hebben veel meer kans om homo te worden: met elke oudere broer neemt de kans met ongeveer een derde toe.
Niemand weet waarom dat zo is, maar vermoed wordt dat het lichaam van een vrouw bij elke zwangerschap van een jongen een soort immuunreactie opbouwt voor proteïnen die een rol spelen bij de ontwikkeling van het mannelijke brein. Gezien er pas een invloed is nadat er al meerdere kinderen geboren zijn - waarvan de meeste hetero zijn en zich ook voortplanten - is deze prenatale eigenaardigheid niet weggefilterd door de evolutie.
Daarnaast kan ook een blootstelling aan een ongewone hoeveelheid hormonen voor de geboorte de seksualiteit beïnvloeden.
Een moeilijke categorie vormen tweelingbroers. Onderzoek heeft aangetoond dat wanneer een van beide broers van een identieke tweeling homoseksueel is, er twintig procent kans is dat zijn broer dezelfde seksuele oriëntatie heeft. Minder dan je zou verwachten van twee mensen met dezelfde genetische code.
William Rice van de universiteit van California Santa Barbara verklaart dit door niet naar de genetische code te kijken, maar naar de manier waarop die wordt doorgegeven. "De epigenetica bestudeert welke delen van ons dna in- en uitgeschakeld kunnen worden. Bepaalde genen worden doorgegeven aan kinderen, maar niet altijd", zegt hij aan de BBC.
"Wellicht zal het nog tientallen jaren duren voor de wetenschap erin slaagt al deze geheimen bloot te leggen", besluit Qazi Rahman. "Seksualiteit omvat immers tientallen of misschien wel honderden genengroepen. Het 'homo-gen' bestaat dus niet, en dat maakt het een zeer ingewikkeld wetenschappelijk domein."