Sovjets overwogen enorme waterstofbom in maanraket
Sovjetrussische kernwetenschappers en raketdeskundigen hebben vroeg in de jaren zestig nagedacht over het ontplooien van de krachtigste waterstofbom ooit in de zware N-1 raket waarmee Moskou (ondanks de eigenlijke bedoeling) nooit iemand op de Maan heeft kunnen neerzetten. Dat onthult de Russische deskundige Anatoli Zak op Russianspaceweb.com op gezag van kernwetenschapper Aleksandr Tsjermysjev.
Op 30 oktober 1961 brachten de Sovjets op Nova Zembla in de Noordelijke IJszee de krachtigste waterstofbom ooit tot ontploffing. De zogenoemde Tsar Bomba (in het jargon A602EN) had een (met de helft naar beneden geschroefde) kracht van 50 megaton TNT.
Ideeën
Dit bracht de 'vader' van het Sovjetrussische ruimtevaartprogramma op ideeën. Hoewel Sergej Koroljov niet direct oorlogszuchtig was, zag hij een kans om het Russische ministerie van Defensie te betrekken in de ontwikkeling en bouw van de N1-raket, waarmee hij Russen op de Maan wou zetten.
Onder eventuele militaire toepassingen van de N1 zag hij het meevoeren van het wonderwapen. De zowat zeventig meter hoge superraket zou daarvoor een ruimte van minstens 4,1 meter diameter en een lengte van zowat tien meter moeten hebben gehad. Kernwetenschappers dachten dan weer aan een test met het afleveren door een N1 van een waterstofbom van effectief 100 megaton TNT.
Militaire doctrine
Maar "ongelukkig voor Koroljov (en wellicht wel gelukkig voor de wereldvrede") haalde geen van beide ideeën het, aldus Zak, want de N1 paste niet in de militaire doctrine van de Sovjets. Die was gebaseerd op de massale ontplooiing van compacte ballistische raketten. Bovendien waren sommige bonzen in het ministerie van Defensie ervoor beducht dat het ruimtevaartprogramma en de N1 in het bijzonder aan hun budget zouden knagen.
Koroljov bedacht ook dat zijn N1 tot 17 koppen zou kunnen meevoeren, of dat de raket een enorm militair ruimtestation naar boven zou kunnen brengen.
Ofschoon het H2-bomvoorstel het niet haalde, zette de Sovjetrussische regering op 23 juni 1960 het licht op groen om de N1 te ontwikkelen. Het ministerie van Defensie en de industrie kregen de opdracht een lijst op te maken van mogelijke militaire toepassingen.
Lanceerpogingen
Als tegenhanger van de machtige Amerikaanse Saturnus-V draagraket, kende de N1 tussen 21 februari 1969 en 23 oktober 1972 vier lanceerpogingen, die telkens faalden, zelfs spectaculair. Het programma eindigde officieel in 1975. De serie mislukkingen is één van de hoofdoorzaken voor het feit dat de Amerikanen als eersten en enigen een mens op de Maan konden zetten.
Toch had de N1 alsnog een praktisch nut. Op de lanceerbasis Bajkonoer zijn overtollige rakettrappen immers omgetoverd tot garages.
Overigens probeerde volgens Zak ingenieur Koroljov het leger ook - maar eveneens tevergeefs - op zijn hand te krijgen door de N2-raket voor te stellen, kleiner dan de N1 maar geschikter voor militaire toepassingen.